Ons leven als….

Zeven jaar. Wat vliegt de tijd. Zeven jaar voorbij sinds we afscheid moesten nemen van ons kleine ventje. Ik heb me nog vaak afgevraagd hoe ons leven eruit had gezien als hij wel gewoon na 9 maanden geboren was in plaats van na 5. Als we bijvoorbeeld geen 20-weken echo hadden gedaan. Dan hadden we een kindje gehad dat na een week ineens blauw aanliep, omdat het lichaam onvoldoende bloed zou krijgen. Hadden we met spoed een operatie moeten laten doen. Voor zijn 2e jaar had Daan een volgende operatie moeten hebben. Het is de vraag of hij die zou hebben overleefd. Kinderen met deze hartafwijkingen zijn heel gevoelig voor infecties. Weer wat later zou nog een operatie moeten volgen. Op sites van lotgenoten lees ik te vaak dat kindjes die niet overleven. Het is een 4 uur durende pittige operatie. In al die tijd zouden we ziekenhuis in ziekenhuis uit zijn gegaan. Hadden we artsen toestemming moeten vragen om op vakantie te kunnen. Zouden hobby’s als paragliden niet meer gedaan kunnen worden. Zou er van werken niet veel meer gekomen zijn en ik houd nu eenmaal van mijn werk en de sociale contacten die daarbij horen. Er zijn overigens niet veel kinderen die alle 3 de operaties hebben ondergaan dan wel overleefd. Daarna zou het redelijk zijn gegaan met ons ventje op kortere termijn. Artsen verwachten dat iedereen met een hypoplastisch linkerhartsyndroom vroeg of laat problemen krijgt met het hart, zoals: het achteruitgaan van de hartpompfunctie, bloedstolselvorming, hartritmestoornissen.

Soms gaat de hartfunctie zo sterk achteruit, dat een harttransplantatie nodig is.

Daan had HLHS en nog 2 andere afwijkingen

Wij hebben hem laten gaan. Maar onze gedachten gaan uit naar alle ouders met kindjes die deze dagen in ziekenhuizen moeten doorbrengen. Dat zij een gezellige Kerst mogen hebben en even de ziekte kunnen vergeten die zo’n grote rol speelt in hun leven.

Wil je hen een leuke Kerst en goed 2015 wensen? Geef dan eens aan één van deze doelen:
Mijn liefste wens
Cliniclowns
Ronald mcDonald Kinderfonds

Geboorte van een vlinder

Speciaal voor deze speciale dag springen we ruim 9 maanden vooruit in de tijd van mijn online blogboek “Vlinder in mijn buik”.

Geboorte van een vlinder

    Eenentwintig december 2007. Om half zeven gaat de wekker. Hij is aangebroken. De dag van verlossing die haar zal tekenen voor de rest van haar leven. Gisteren waren ze voor de laatste keer samen onder de douche gegaan, zij en het kleine mannetje in haar opbollende buik. Ze had net daarvoor een tabletje in moeten nemen. Dat was om de boel alvast wat weker te maken en haar lichaam en baarmoeder voor te bereiden op de bevalling. De douche troostend, maar ook heel vreemd. Straks zou alleen haar ziel nog maar in haar lichaam huizen. Dan was ze alleen na haar lichaam drieëntwintig weken met z’n tweeën gedeeld te hebben. In gedachten vroeg ze het mannetje in haar buik nog een keer of hij echt Daan wilde heten. Hij antwoordde ook deze keer met een klein schopje van z’n iele, maar oh zo sterke beentjes. Ze waren er klaar voor. En nu was het moment gekomen om naar het Radboud in Nijmegen te gaan. Een rit van drie kwartier. Vanaf de N265 richting de snelweg ging het door een mooi landelijk gebied. De mist hing laag over het land en bedekte het als een kil, magisch deken. Aan de bomen zat rijp. Zo betoverend mooi. Het had sprookjesachtig kunnen zijn als de situatie wat rooskleuriger was geweest. Maar dat was zij niet.

     Rond half 9 waren ze in Nijmegen en meldden ze zich op de afgesproken plek. Ze werden warm ontvangen door de dienstdoende verpleegkundige die hen naar de kamer bracht. Wat een mooie verloskamers waren dat. Licht, groot, met eigen bad en toilet, tv en radio. Ook vanuit de kamer was het uitzicht op de met rijp bedekte bomen formidabel. Ze kleedde zich om en installeerde zich met een tijdschrift op het bed. Toen was het moment daar. De verloskundige bracht de twee pilletjes die de weeën op gang moesten brengen bij haar in. Ze kreeg ook Paracetamol en Naproxen voor de pijn. De verloskundige waarschuwde nog een keer: “Het kan lang duren. Zeker bij een eerste keer en wanneer je er geestelijk niet klaar voor bent”. Daar had de maatschappelijk werkster hen eerder die week ook al op gewezen. Het was niet alleen lichamelijk loslaten, maar ook geestelijk. Bij sommige mensen duurde het wel achtenveertig uur, had ze gezegd. Maar ze waren er klaar voor. Dat voelde ze.

   Ze zette de radio aan. Muziek was een grote passie van haar en ze vond de afleiding fijn. Haar man maakte nog een laatste foto van haar mooie buikje. Haar ene hand bovenop haar buik en de ander eronder. Ze probeerde te lachen, maar om begrijpelijke redenen lukte dat niet. Binnen een kwartier merkte ze dat het medicijn begon te werken. Er kwam een soort menstruatiepijn opzetten, maar dan heviger. Toen de maatschappelijk werkster hen een kwartier later bij kwam staan, was de pijn al bijna niet meer te harden. Ze probeerde een boek over boeddhisme te lezen, ondertussen de weeën wegpuffend op een manier waarvan zij dacht dat het effectief was.

   “Ik zal een kruik op je buik leggen en nog wat paracetamol geven”, zei de verpleegkundige wat later die ochtend, “dat helpt de pijn wat te verzachten”. En inderdaad. Het scheelde…. iets. Om twaalf uur kwam de warme maaltijd: aardappelen, broccoli en een runderlapje. Blanke vla na. Het smaakte goed, maar ze kon niet alles op door de druk op haar buik. Haar man hielp haar van het runderlapje en de blanke vla af. Om half één werden de weeën zo hevig dat die warme maaltijd weer in rap tempo naar buiten kwam langs dezelfde weg als waarin hij naar binnen was gegaan. “Ik laat een bad voor je vollopen”, zei de verpleegkundige. Dat helpt om te ontspannen. Zo gezegd, zo gedaan. En het hielp… voor ongeveer twintig minuten. Toen vond de verpleegster het welletjes. “Ik ga vragen of ik je wat zwaardere pijnstillers mag geven. Nog even volhouden.” De verpleegster hielp haar uit bad, droogde haar af en begeleidde haar naar de kamer. Zich geen raad wetend met zichzelf en trillend over haar hele lijf, nam ze weer plaats in het bed. Het was inmiddels één uur. De verloskundige kwam snel. “U heeft al zes centimeter ontsluiting. Onvoorstelbaar snel. Geen wonder dat u zo’n hevige weeën heeft. Ik kom over een halfuurtje weer kijken.” En zo ging het nog eens dertig minuten kronkelend en puffend verder. Welke houding ze ook aannam, er bleek er geen één te zijn die comfortabel was. Liggen op de rug, liggen op de zij, benen opgetrokken, dan weer gestrekt. Zitten, lopen. Niets hielp.

   Na een kleine dertig minuten die aanvoelden als het vagevuur, kwam de verloskundige weer poolshoogte nemen. Het moment was daar. “U mag gaan persen. Luister goed naar me. Ik help u er doorheen.” En persen deed ze. Met alle wilskracht, verdriet en woede die ze in zich had. Als het maar snel ging en het kleine mannetje er geen last van zou hebben. Ondertussen speelde ‘Relax, take it easy’ van Mika op de radio. Kon het nog misplaatster? Pers. Oh, wat deed het pijn. De vliezen waren nog niet gebroken. En het lukte toch echt niet om die hele zak met vocht en kind in z’n geheel naar buiten te duwen. De verloskundige kreeg een idee. Ze haalde een grote naald. Prik. Een waterballet en een zucht van verlichting volgden. “Hadden ze dat niet eerder kunnen bedenken?”, dacht Els. Toen ging het snel. Na drie keer stevig persen, floepte er een mannetje naar buiten. Mooi roze, klein en oorverdovend stil.… Daantje.

     De verloskundige legde Daantje op haar buik. Wat was hij mooi. Zo perfect voor z’n geringe leeftijd. Een mooi rond bolletje. Haar kin en mond. De neus van haar man. En wat was hij klein en dun. Achtentwintig centimeter en 515 gram, bleek later. Daar kwam weer een kleine mijlpaal. Het doorknippen van de navelstreng. Nu waren ze niet meer verbonden en konden haar bloed en zuurstof hem niet meer helpen. Daantje moest het zelf doen. En dat deed het dappere ventje. De oogjes gesloten, de longetjes nog niet rijp en dus niet bij machte te huilen. En dat kleine, kapotte halve hartje dat maar koppig door bleef tikken. Ze hield hem stevig vast. Zo stevig als dat tengere, onvoltooide lijfje haar toeliet. Af en toe trok hij met zijn arm of been. Ze gaf Daantje aan haar man. Het ventje ging helemaal verloren in die enorme handen. Wat waren ze verwonderd over de kleine perfectie van de minuscule handjes en voetjes compleet met tien bijna transparante minivingertjes en tien miniteentjes. Ze wilde hem het liefst eeuwig vasthouden en zich blijven verwonderen.  “Hij krijgt het koud”, zei ze. “Hij moet een dekentje”. En zo wikkelden ze hem in een dekentje en ging hij terug van de grote handen naar haar buik.

    Maar onvermijdelijk werden Daantjes bewegingen langzaam minder. Zijn hartje begon trager te kloppen. Hij was steeds minder aanwezig. En toen was hij weg. Ze kon het zien. Er was geen leven meer in dat lijfje. Geboren op eenentwintig december, de dag van de zonnewende kwam hij en ging hij. Verder, zoals de zon. Op weg naar de maan en de sterren. De leegte die volgde was wrang en onvoorstelbaar groot. De vlinder was gevlogen. Weg uit haar beschermende buik. Ze zei: “Dag ventje. Het ga je goed. Waar je ook zijn moge. Je bent voor altijd een deel van mij. Dat ene plekje in mijn hart. Het klopt voor jou, omdat het jouwe dat niet kon. Mijn mooie, lieve vlinder.”

Terug naar huis

   Els kleedde zich om. Een half uur later kwam haar man in het ziekenhuis aan. “Hoe voel je je?” “Best goed” zei Els. “Een beetje moe. Dat is alles.” Ze pakte haar spullen bij elkaar. Wat tijdschriften, een pyama en haar tas. Daarna zei ze de oude, lieve dame gedag en schoffelde naar buiten. Eerst met de lift een verdieping naar beneden en dan langzaam richting de parkeerplaats. Zoals altijd was het stikdruk op de veel te krappe parkeerplaats. Het ziekenhuis was te klein geworden voor de vele patiënten in de regio. Dat was ook de reden dat er een nieuw ziekenhuis kwam in haar eigen woonplaats. Precies tussen de twee bestaande regioziekenhuizen in. Bijna in de achtertuin van haar ouders. Wat was ze boos geweest toen ze hoorde dat ze het mooie landelijke gebied waar ze was opgegroeid hadden verkozen voor de nieuwbouw van het ziekenhuis. Veel van haar oude buren moesten een nieuwe woonplek zoeken. En dat terwijl er twee kilometer verderop een veel geschiktere locatie was, waar minder huizen stonden en dus bijna niemand uitgekocht hoefde te worden. Ze had er een stuk aan gewijd in de plaatselijke krant en getracht de gemeenteraad op andere gedachten te brengen door aan te tonen dat die andere locatie zeker zo groot was als de huidige. Helaas zonder resultaat. Het nieuwe ziekenhuis moest koste wat kost in haar oude buurtje komen. “Waar denk je aan?”, vroeg haar man. “Aan de nieuwbouw van het ziekenhuis”, zei ze. “Hoe je het ook wendt of keert, een nieuw ziekenhuis is wel nodig. De parkeerplaats kan van het huidige ziekenhuis kan de druk niet meer aan en de kamers zijn behoorlijk sleets en aan de kleine kant”. Zo kletsten ze wat verder om de tijd in de auto te doden en het niet de hele tijd over kinderen en miskramen te moeten hebben. De rit leek langer te zijn dan de vijfentwintig minuten die hij eigenlijk duurde. Ze voelde de vermoeidheid ook snel toenemen. Alle adrenaline was nu verdwenen en haar ogen werden zwaar. Ze was dan ook blij dat ze het huis eindelijk zag opdoemen. Thuis gekomen begroette ze de katten, kuste haar man en bekeek het kaartje dat ze had gekregen van haar collega’s die de afgelopen weken zo met haar meegeleefd hadden. Erg lief dat ze daar aan gedacht hadden. Ze bofte toch maar met die warmte en hoopte vurig dat dat na de fusie ook nog zo zou blijven.

   Begin december hadden ze op het werk een leuk ‘Sinterklaascadeautje’ gekregen. Haar fijne bedrijfsonderdeel waar ze nu bijna zeven jaar met plezier werkte, ging fuseren met een soortgelijk bedrijf in Amsterdam. Ze was al bang geworden voor dit soort fratsen toen het concern eerder dat jaar een beursgenoteerd bedrijf was geworden. Els werkte in Den Bosch. Een groot deel van het bedrijf waar haar bedrijfsonderdeel onder viel, was gevestigd in Utrecht. Ze had al snel één en één opgeteld en bedacht dat die fusie waarschijnlijk wel een verhuizing naar Utrecht met zich mee zou brengen. En inderdaad. Dat was ook wat ze die beruchte Sinterklaasochtend te horen hadden gekregen. Van haar huis naar Den Bosch was het ongeveer drie kwartier in de spits en de reistijd van Den Bosch naar Utrecht zou wel ongeveer hetzelfde zijn. Anderhalf uur heen en anderhalf uur terug. Dat was een reistijd van drie uur per dag. Dat was nauwelijks een serieuze overweging waard. Gelukkig kreeg ze het eerste jaar een reistijdcompensatie van een uur per dag en gingen binnen het bedrijf stemmen op voor ‘Het Nieuwe Werken’. Dus ze had even de tijd om erover na te denken. Ze had het met haar man zelfs al serieus gehad over verhuizing  naar Den Bosch of Zaltbommel en op sites met actueel woningaanbod had ze al een zoekopdracht aangemaakt voor een passend huis. En toen was ze zwanger geraakt en zou ze eind augustus met verlof gaan. Dat kwam goed uit. Misschien dacht ze na de bevalling wel heel anders over haar werk en wilde ze liever bij de baby blijven. Alhoewel ze ook wel van zichzelf wist dat ze niet het type was voor een fulltime moederschap. Maar je wist maar nooit. Wetende dat ze in september geen moeder zou worden, begon ze weer te twijfelen aan verhuizen of ander werk zoeken. Maar dat gepieker had geen zin. Eerst moest ze afwachten of de nieuwe werkomgeving wel beviel en ze had ook het gevoel dat er nog wat stond te gebeuren, waardoor het besluit uiteindelijk als vanzelf kwam. Niet de miskraam, die was te vroeg. Dat was het niet. Het was meer iets wat  later in het jaar zou voorvallen. Ze kon er de vinger niet goed opleggen.

Een illusie rijker

   De oudere vrouw lachte naar haar. Ze probeerde terug te lachen. Dat viel niet mee. Haar hoofd was nog zwaar van de narcose. Gevuld met zachte, witte watten die helder denken onmogelijk maakten. Af en toe zakte ze weg in koortsige dromen waar niets was zoals het leek. Els in Wonderland. Misschien was die vage droomtoestand wel te verkiezen boven de harde waarheid van die dag. Bij elk nieuw ontwaken kwam de waarheid haar harder voor de geest. Haar lichaam had haar in de steek gelaten. Een droom was uiteen gespat. De verpleegster kwam binnen met twee dienbladen. Els merkte opeens hoeveel honger ze had. Ze had al vanaf tien uur de vorige avond niet mogen eten of drinken. Zelfs geen water. Brood, vleeswaren en een kop thee lachten haar toe. Enthousiast viel ze aan op al het lekkers. Althans, dat probeerde ze. Het brood smeren ging haar nog vrij aardig af, maar die plastic verpakking van het vlees en de plakjes kaas waren spelbrekers. Had nou niemand er ooit bij nagedacht dat het met een infuus in de arm vrijwel onmogelijk was die fatsoenlijk open te krijgen? Het was haar eer te na om op het belletje te drukken om een verpleegster te roepen die de pakjes open kon krijgen. Nijdig riste ze ze met haar tanden open. Toch trots dat het gelukt was. Het brood smaakte heerlijk. Voordat ze het wist, had ze drie boterhammen achter de kiezen. ‘Oh jee’ zei de verpleegster die de dienbladen weer op kwam halen, ‘ik hoop dat dat je goed gaat bekomen. Mensen willen nog weleens misselijk worden na de narcose.’ Maar het leek allemaal goed te gaan. Het eten in haar buik gaf haar de energie die hard nodig was. De watten in haar hoofd werden kleiner en het lukte zelfs een gesprek aan te knopen met de vrouw in het bed naast haar die informeerde naar haar misselijkheid. En zo kwam het onderwerp snel op wat hen hier vandaag in het ziekenhuis bracht. Waar moest je het anders over hebben als je omringd werd door slangen en infuuszakken? De vrouw vond het jammer te horen van haar kortstondige zwangerschap. Els kon dat beamen, maar ze merkte ook dat met de helderheid in haar hoofd de nuchterheid weer was teruggekeerd. En daarmee de overtuiging dat het wel weer goed zou komen met haar kinderwens. De vrouw was in het ziekenhuis voor een bloedtransfusie. Ze had die tweewekelijks nodig. ‘Dan leef ik weer helemaal op’ zei ze. ‘Gisteren kon ik niets meer, alleen maar slapen. M’n gezicht spierwit. Nu word ik weer als nieuw. En zo gaat het elke twee weken. Een dag lang aan het infuus en ik kan er weer tegen. Het is dat of niets.’ Ze babbelden nog even door over koetjes en kalfjes. Els merkte dat de vrouw snel over het onderwerp ‘kleinkinderen’ heen stapte. Waarschijnlijk om haar te sparen vanwege het vroegtijdige verlies van haar kindje in wording.

   De verpleegster kwam weer binnen. ‘Hoe voelt u zich?’ ‘Goed’, zei Els. ‘Geen misselijkheid of pijn. Een beetje moe alleen.’ ‘Dan mag u naar huis. Kan ik iemand voor u bellen?’ ‘Ja, mijn man verwacht een telefoontje.’ Haar man was die ochtend met haar in het ziekenhuis gekomen. Samen hadden ze gewacht op het moment waarop ze naar de operatiekamer gebracht zou worden. Els had ter voorbereiding op de narcose een tabletje gekregen dat haar alvast suf zou maken. Zonder het te merken, was ze suf geworden en weg gezakt in een half wakker, half droomtoestand. De ingreep liet echter op zich wachten. Er was een spoedkeizersnee tussengekomen. De tweeling die gehaald moest worden, kwam anders in gevaar. Els had daar graag op willen wachten. Ze had er niet aan moeten denken dat de kindjes iets overkwam. Dat moest toch verschrikkelijk zijn; een baby verliezen, nee zelfs twee, na al die maanden wachten en koesteren in je buik. Ze huiverde bij de gedachte. Nee, dan kwam ze er niet slecht vanaf met haar miskraam. Laat de tweeling maar voor. Haar Boontje leefde toch niet meer.

   Het gevolg van het langere wachten was wel dat het sufpilletje uitgewerkt raakte. Haar man had ruim een uur braaf naast haar bed gezeten. Het hadden tien minuten geleken. ‘Dat komt omdat je geslapen hebt,’ had hij gezegd. ‘En je hebt ook onzin uitgekraamd. Weet je dat niet meer?’ Nee, daar had ze niets van geweten. ‘Je keek vanuit je bed de gang op en zei: ‘ Ik zie een meisje in het rood!’ Ze had geen idee wat ze daarmee bedoeld kon hebben. ‘Je zei ook dat je je net Bonnie voelde.’ Daarbij refererend aan de artieste die op dat moment ongelukkigerwijs regelmatig in het nieuws was vanwege haar vermeende haat-liefdeverhouding met de drankfles. Ze hadden erg moeten lachen om haar rare uitspraken. Op dat moment was de verpleegster komen vertellen dat het allemaal wat langer duurde vanwege de spoedkeizersnee. Els had haar man gezegd dat hij wel mocht gaan als hij wilde. Ze wilde nog wel even slapen en dan zat hij weer voor niets naast haar stof te vangen. Ze spraken af dat hij haar kwam halen als ze ‘ontslagen’ werd. Ontslagen. Een vreemd woord met dubbelzinnige betekenis. Als je in een ziekenhuis lag, was je blij om ontslagen te worden, maar op je werk was dat wat anders. En nu was dat moment gekomen; het ontslag. Huiswaarts met een lege baarmoeder. Een illusie rijker.

De verkoeverkamer

Ze werd wakker in de verkoeverkamer. De verplegers in de kamer waren grappen aan het maken. Er heerstte een ontspannen sfeer. Voor zover dat mogelijk was in de witte, kille ruimte met brommende en piepende machines. Het laatste wat ze zich herinnerde, was de narcosevloeistof die via een infuus vanuit haar onderarm naar boven liep. Een brandende pijn die, net toen het ondraaglijk begon te worden, overging in een diepe rust. Een toestand van een diep niet-zijn. Het was het ‘not to be’ van William Shakespeare. Geen dromen, geen pijn… helemaal niets. Ze had zich een beetje gegeneerd gevoeld in haar kille naaktheid onder de blauwe operatiejurk. Liggend op het operatiebed. De benen gespreid over de beugels. De wetenschap dat de gynaecoloog daar zo meteen zat te wroeten in haar meest private domein. Nee, dan was zo’n narcose toch wel erg welkom. In het niet-zijn was er geen ruimte voor schaamte. Geen aandacht voor de wroetende handen,  de felle operatielamp, de komende leegte en de artsen met groene jassen en mondkapjes.

   Het bloeden en de kramp was enkele weken geleden begonnen. Ze had precies vijf dagen van haar zwangerschap kunnen genieten. Een gevoel van trots. ’s Avonds stralend in bed, denkend aan hoe haar buik op zou zwellen tot een enorme harde ballon om in september een klein mensje voort te brengen dat ze van alles zou gaan leren, zou knuffelen, de kleine armpjes stevig om haar nek, het warme lijfje tegen haar aan. Fantaserend. Tot die ene maandagavond. Een gevoel van menstruatiepijn. Lichte krampen. Het eerste veegje bloed. Teleurgesteld was ze naar haar man gelopen die in de garage aan het klussen was. Ze wist dat het niet goed was. Zoiets voelt een moeder. Zelfs in dit prille stadium. Haar man vond het jammer, vooral voor haar. Hij moest nog wennen aan het idee om vader te worden en het was allemaal nog zo pril.

   De volgende dag leek alles weer in orde en was ze gewoon naar haar werk gegaan. Ze had haar collega’s verteld wat er aan de hand was. Iedereen was meelevend, maar ook positief. “Nee joh! Zo’n dingen gebeuren weleens. Misschien is er wel niets aan de hand.” Verhalen over vriendinnen en vage kennissen die ook zoiets hadden meegemaakt, maar gewoon een gezond kindje ter wereld hadden gebracht. Maar haar moederinstinct had haar niet in de steek gelaten. Bij de echo bleek het vruchtje niet meer te leven. Het was toch nog iets meer dan zeven weken geworden. Ondanks dat het bloeden al bij vijf weken begon. Het was 2 februari, haar vaders verjaardag. Die avond vertelde ze haar ouders van haar prille zwangerschap die helaas niet mocht zijn. Het kleine Boontje was niet meer in leven. Er was teleurstelling, maar ze was ook nuchter. Dit soort dingen gebeurden nou eenmaal. Het hoefde niets te betekenen. Het was erg jammer, maar er kwamen nieuwe kansen. Dat wist ze zeker.

    Een curretage. Ze had er tot voor kort nooit van gehoord. Denkend dat een miskraam altijd via een soort hevige menstruatie kwam. Haar lichaam had dat ook wel geprobeerd, maar het Boontje bleef stevig zitten. En zo kwam het dat ze zich die woensdagochtend in de vroege uren met haar man meldde bij de afdeling gynaecologie van het lokale ziekenhuis. De dag ervoor hadden er gesprekken plaatsgevonden met een verpleegkundige, anesthesist en de gynaecoloog en was ze voorbereid op wat komen ging. De verpleegkundige was erg meelevend geweest. Misgelopen zwangerschappen bleken een delicate kwestie. Vooral bij vrouwen, zo was haar opgevallen.  

   Ze werd naar de verpleegafdeling gereden. Waarschijnlijk was ze toch weer even in slaap gevallen, want ze kon zich niets meer herinneren van de rit door het ziekenhuis. Toen ze wakker werd, lag ze op een tweepersoonskamer. In het bed naast haar lag een oudere vrouw. Ze schatte haar een jaar of vijfenzeventig. De vrouw zat rechtop in bed door een tijdschrift te bladeren. Een Margriet zo te zien. Door het raam links van haar, kon ze de grauwe, grijze lucht zien. Een sombere februaridag. Februari, de maand waarop bij velen het lentegevoel alweer begon aan te wakkeren, terwijl je ook wel wist dat het toch nog een kwestie van lange adem was voordat de Lente echt haar intrede zou doen. De zon deed haar best zich een weg te branden door het wolkendek. Haar stralen om zich heen werpend als een gouden hoofdtooi van een lang vergeten god. Maar het resultaat was bedroevend. Af en toe verscheen ze als een vaag lichtje in de verder grijze lucht. Dat pastte wel bij de sfeer die in de ziekenhuiskamer hing. Els voelde zich net als dat vale zonnetje. Mislukt in haar intenties.